Dr. aan het woord door: Dierenarts Peter Boskamp
© Dierenarts P. Boskamp
Het is verboden bovenstaande artikelen te vermenigvuldigen en te verspreiden. 
Ook zal opgetreden worden als zonder toestemming de artikelen of gedeelten 
daarvan op een andere wijze gepubliceerd worden

Onderstaand vindt U een afschrift van een deel van een lezing die ik in het Limburgse Simpelveld heb gehouden.
Het is een bijdrage over de natuurlijke aanpak als basis van de medische begeleiding van de duivensport.
De stelling is dat de duiven minder behoefte hebben aan medicijnen als ze een hogere basis weerstand hebben. De hogere basisweerstand zorgt er niet alleen voor dat de duiven minder bevattelijk zijn voor ziektes, maar bovenal dat er meer energie overblijft voor de opbouw van de vorm.
Ik hoop dat U de bijdrage met plezier zult lezen en Uw voordeel ermee kunt doen.

Peter Boskamp


Deel 17: 
Lezing 4 december 2004; “Verborgen infecties”

In allerlei studieboeken en artikelen, op internet, duivennieuwsbrieven valt informatie te halen over de diverse infecties die de duiven kunnen teisteren. Worminfecties, coccidiose,Trichomoniasis, Ornithose, Paratyfus en ga zo maar door.
Van veel van deze aandoeningen is bekend en voor te stellen dat ze de prestaties van de duiven ondermijnen.
Zo weten we allemaal dat zodra een worm op het hok gevonden wordt, het hoog tijd is om in te grijpen. We geven een wormkuur, herhalen dat na 8 dagen om zo ook de jonge larven te pakken en branden het hok uit. En we geven desnoods extra vitaminen gedurende een aantal dagen.
Zo ook bij coccidiose en trichomoniasis. Daar is iedereen het wel over eens dat behandeling noodzakelijk is. Hetzelfde doen we bij verschijnselen van het Ornithose-complex en Paratyfus. Duidelijke zaak natuurlijk.
Maar hoe zit het met de aandoeningen die de duiven bij zich kunnen dragen en waarbij geen verschijnselen van algemeen ziek zijn optreden. Is het zo dat die niet van belang zijn. Deze zogenaamde subklinische- verborgen- infecties.
Het is bekend dat een aanzienlijk deel van de duiven in het bloed afweerstoffen hebben tegen de Salmonella en de Chlamydiae.
Maar deze duiven hoeven niet ziek te zijn. Ze kunnen er zelfs heel goed op staan. De verschijnselen zijn niet zichtbaar. In het voorjaar vliegen de duiven ook best goed. Ze trainen goed. Maar zodra de vluchten gaan komen dan wordt het andere koek.
Omdat de duiven goed vliegen lijkt er geen aanwijzing te zijn om te gaan kuren. We zeggen dan allemaal blind kuren is nooit goed. En dat is in zekere zin natuurlijk ook zo.
Maar deze duiven die op het oog goed uit zien, kunnen na een paar vluchten de liefhebber goed in de steek beginnen te laten. Ze tonen zich niet meer zo goed. Vliegen minder en de lust om te trainen neemt af.
Meestal is dit dan een reden om in te gaan grijpen. Eventjes wat tegen de luchtwegen geven en dan zal het wel weer gaan. In een aantal gevallen werkt het en nemen de duiven de draad weer op. Maar in andere gevallen wordt weer iets anders geprobeerd en als het daarmee ook niet lukt wordt het spelen met de oude duiven maar opgegeven. Er wordt dan maar gehoopt op de jongen. Het zal wel zo moeten zijn. Volgende keer beter. Of de middelen van de dierenarts deugen gewoon niet. Volgende keer maar middelen van zijn “concollega”  proberen.

Het kan natuurlijk zo zijn dat de gebruikte middelen onder de gegeven omstandigheden niet werken. Dat kan omdat er geen diagnose is gesteld of omdat er voor de betreffende aandoening op deze manier niet lang genoeg gekuurd werd.
Maar het is zeker ook mogelijk dat de oorzaak ligt in verborgen infecties. Infecties die je in zekere zin kunt vergelijken met een aandoening als een koortslip bij de mens. Mensen kunnen als ze vermoeid zijn of stresserig plotseling last krijgen van een koortslip. Dat is een uiting van het Herpesvirus dat deze mensen gewoonlijk levenslang bij zich dragen. Doorgaans dus zonder verschijnselen, maar onder genoemde omstandigheden laat het virus zich weer gelden en komt het te voorschijn. 
Welnu, op soortgelijke wijze krijgen duiven vaak last van klinische klachten. Door toename van de stress, opwinding bij vluchten, slecht voorjaarsweer enz. enz. kunnen de infecties zich weer doen gelden.
Een en ander hangt ook samen met de kracht van de infectie en het niveau van de afweer bij de duiven. En met name het laatste is belangrijk.
Als de infecties zo heftig zijn. Bedoeld wordt als de kracht van de ziekteverwekker heel hoog is (Men moet goed begrijpen dat de kracht van de ziekteverwekkers lang niet altijd even groot is. Hier kan een sterke variatie in bestaan. Die kracht van de ziekteverwekker noemen we virulentie) de kans groter wordt dat de duiven ziektesymptomen gaan ontwikkelen.
Valt het met de virulentie van de ziekteverwekkers wel mee, dan kan in de rustige tijd een prachtig evenwicht bestaan tussen de gastheer (de duiven) en de parasiet (bijvoorbeeld de Salmonella of de Chlamydiae). Als het evenwicht verstoord wordt door stress kan het zijn dat de ziekteverwekker de overhand krijgt en zich sterker kan gaan vermenigvuldigen. Er kunnen dan wel degelijk ziekteverschijnselen ontstaan. Maar door de vermindering van de weerstand die hier weer door ontstaat, worden de duiven ook weer bevattelijk voor andere infecties.
Zo kan het zijn dat bij liefhebbers die duiven hebben waarbij er een subklinische (verborgen) salmonella infectie aanwezig is een en ander dus zonder symptomen verlopen. De duiven presteren niet goed maar hebben in eerste instantie geen last van luchtweginfecties. De vorm wil maar niet komen. In deze gevallen kan het zijn dat een liefhebber een medicijn gaat gebruiken dat amper werkzaam is tegen salmonella. 
De mogelijkheid bestaat dan dat na enkele weken de klachten eerder toenemen dan afnemen. De balans die er bestaat tussen gastheer en parasiet is wederom verstoord in het voordeel van de parasiet. De weerstand van de duiven neemt hierdoor verder af.
Een heel bekend voorbeeld van deze gang van zaken is de besmetting met de Candida Albicans. Duiven hebben deze gist vaak bij zich. En in het algemeen werd in het verleden getwijfeld aan het ziekteverwekkende vermogen van deze gist. Daar is men inmiddels op terug gekomen. Overduidelijk is aangetoond dat deze schimmel zich goed thuis voelt bij liefhebbers die graag gebruik maken van de medicijnpot. De meeste, zoniet alle, luchtwegmiddelen werken niet tegen deze gist. Sterker nog. Als er gekuurd wordt tegen de koppen of tegen infecties in de darmen, dan vult deze gist met alle plezier de ruimte op die door het wegvallen van zijn concurrenten in de darm ontstaat. Ze gaan welig tieren. De liefhebber ziet door het gebruik van de medicijnen tegen bijvoorbeeld de koppen enige verbetering maar is al snel weer terug bij af. Dus opnieuw kuren dan maar met een sterker middel. Weer hetzelfde effect. Nee, de duiven zijn er nog slechter aan toe. Wat nu.
Ja, dan is goede raad duur. Vele liefhebbers zijn als ze in dit verdomhoekje terecht zijn gekomen ver van huis. Sommige zijn rigoureus en ruimen alles op en beginnen op nieuw. Ze ontsmetten het hok. En als ze geluk hebben zal de Candida besmetting van de omgeving tot redelijk niveau zijn gedaald. Als met de nieuwe duiven dan wel prestaties worden behaald dan weet de liefhebber het zeker: Zie je wel die duiven deugden niet. Degene die ze me verkocht heeft destijds heeft me vast in mijn nek geslagen.
Maar als deze liefhebber zijn gewoontes niet afleert met betrekking tot het kwistige gebruik van de medicijnpot, dan is de kans zeker aanwezig dat hij na een paar jaar weer dezelfde problemen kent. 
Maar goed het ging over het evenwicht tussen gastheer en parasiet en het effect wat een verstoring van dat evenwicht daarop heeft.
Gaan we terug gaan naar de liefhebber die de salmonella besmetting onder zijn duiven heeft. Een besmetting zonder ziekteverschijnselen. Deze duiven zullen nooit de top halen die ze volgens hun “ genen”  zouden moeten kunnen halen. Een deel van hun energie wordt bij voortduring weggesnoept. Er moet voortdurend energie verbruikt worden om dat evenwicht tussen de gastheer en de parasiet in stand te houden. 
Een ieder zal best wel eens een goed glas bier hebben gedronken. Maar dat kunnen er ook meer zijn. Veel meer. Ogenschijnlijk geen last ervan de dag erna. Gewoon een beetje moe bij het opstaan. Maar daarom maar even een extra kop koffie genomen. Alles is weer in beste orde zo lijkt het. Maar aan het einde van de middag is de batterij ver leeg en moet er eventjes gepauzeerd worden. Het lichaam heeft extra energie nodig om de strijd aan te gaan met de alcohol. Energie die er anders zou zijn voor lichaamsprestaties. Wel als het een rustige dag is die we luierend door kunnen brengen voor de televisie, dan is er niets aan de hand. Dan rest de gedachte aan een leuke en gezellige avond bijvoorbeeld. Maar als we de dag erna hard moeten werken, dan is aan het eind van de middag de batterij vaak leeg. Dan moeten we toch even rust nemen en gaan zitten of liggen. We doen dan een beroep op de reserves van het lichaam.
Datzelfde gebeurt  in de gebieden waar het Carnaval gevierd wordt ook.  Vermoeidheid door de inspanning en in een aantal gevallen bovenmatige alcoholconsumptie die de energie wegvreet. Als we dan bedenken dat we soms als haringen in een ton staan tussen alle mensen in, mensen waar een deel zonder het te weten besmet is met een verkoudheid- of griepvirus, dan is dat mede de verklaring voor de toename van de ziekmeldingen na de Carnaval.
Op soortgelijke wijze kunnen we ons voorstellen dat een en ander bij onze duiven werkt. De verborgen besmetting vreet energie van de duiven weg. Energie die anders gebruikt zou kunnen worden voor de vliegprestaties en het opbouwen van de vorm.
Een verstoring van het evenwicht maakt dat de duiven klinisch symptomen kunnen gaan ontwikkelen en ziek worden. Maar in minder ernstige gevallen maakt het de duiven gevoeliger voor ziekteverwekkers die ze van buiten af kunnen oplopen, zoals in de reismanden. Vergelijk het met de “haringen in de ton” tijdens het carnaval. De opwinding en stress die de duiven van nature hebben in de reismanden doen dan de rest. De duiven kunnen gaan beginnen met het opbouwen van een infectie. En deze kan dan al naar gelang van de virulentie van de verwekkers na een paar dagen tot een week klinische verschijnselen gaan geven.

Waar gaat het dus om bij de verstoring van het evenwicht bij latente (verborgen) infecties? Om een verstoring van het evenwicht tussen gastheer en parasiet. Dat kan dus door een toename van de infectiedruk. Bijvoorbeeld in de reismanden. Maar ook door een toename van de stress. Als de basisweerstand hoog genoeg is kunnen de duiven dit opvangen en zal het evenwicht niet verstoord raken.
Maar is het weerstandsniveau onder de maat dan is er voldoende voedingsbodem om ziektesymptomen te doen ontstaan.
Dit zal dus eerder optreden bij duiven die al verborgen infecties bij zich dragen dan bij duiven die vrij zijn van dit soort van infecties.
Zoals gezegd wordt bij duiven die al latente infecties bij zich dragen een groter beroep gedaan op de afweer en de energiereserves. 

Het is dus niet moeilijk voor te stellen en ook heel logisch dat een goede prestatie in het vliegseizoen valt of staat bij een goede basisweerstand.
En dit laatste is iets geheel anders dan het regelmatig kuren met allerlei medicijnen.
Een goede basisweerstand bereik je niet in een paar dagen. Dat is een proces dat meer tijd vraagt. Een goed afgestemd beleid.
Bij duiven die een goede basisweerstand hebben zullen noodzakelijk geworden kuurtjes en kuren veel meer effect hebben dan bij duiven die deze weerstand missen.

Dus los van de vraag welke middelen goed werken tegen allerlei ziekten, dienen we ons eerst af te vragen of we voldoende aandacht hebben geschonken aan de basisweerstand.
Pas als deze vraag met ja is beantwoord, mogen we goede resultaten van medicijn gebruik verwachten. In de andere gevallen zal vaak blijken dat het geven van een medicijn gelijk staat met het dweilen met open kraan.
Dus belangrijk is de basisweerstand zo hoog mogelijk te krijgen voor het vliegseizoen.
Dit kan op diverse manieren. 
Goed voer, voldoende vitaminen, maar zeker ook sporenelementen en mineralen. Want onomstotelijk is bewezen dat het een niet zonder het ander kan. Als we dieren en dus ook duiven voldoende vitaminen geven. Maar er is niet gezorgd voor een optimale mineralen gift, dan zullen de vitaminen maar een beperkte werking hebben. Dus zorg voor voldoende vitaminen in combinatie met mineralen en sporenelementen. Farvisol is een product wat aan die eisen voldoet. En zeker ook boni-mineral.
Uit onderzoek is gebleken dat bepaalde kruiden een verhogende werking hebben op de basisweerstand. Deze producten kunnen dus een sterke bijdrage leveren aan het optimaliseren van de werking van de afweer. 
Een van de producten die wat dit betreft een goede naam heeft opgebouwd en waarvan de werkzaamheid bewezen is, is de Boni-SGR.
Boni-SGR heeft naast een verhoging van de basis weerstand ook een verzurende werking in de darm., Hierdoor wordt de darmflora ook geoptimaliseerd. Dit zorgt op zijn beurt weer voor een kleinere kans dat ziekteverwekkende bacteriën de overhand kunnen krijgen. Daarnaast zorgt het voor een betere vitaminebenutting.
In de praktijk blijkt dat het verstrekken van weerstandsverhogende middelen, zoals Boni-SGR vanaf de kweek tot aan het vliegseizoen sterk bijdraagt aan het gezond houden van de duiven. De kweekresultaten nemen toe, de jongen groeien beter uit en wat in dit verband heel belangrijk is. De jongen maken wel degelijk alle kinderziektes mee. Maar doordat het weerstandsniveau hoger blijft wordt de kans op ziekte uitbraken geringer. Ze zijn in staat om afweerstoffen aan te maken. En dat is iets wat door het geven van regelmatige antibioticakuren vaak slechts in geringere mate plaatsvindt.
Duiven die ondanks een geregelde gift van bijvoorbeeld Boni-SGR toch ziek worden, die mogen beschouwd worden als zwakke broeders.
Want we moeten niet vergeten dat 30-40 jaar geleden, voordat de medische begeleiding van de duivensport zijn intrede deed, we in principe aangewezen waren op natuurproducten. Dat betekende in de praktijk dat duiven met een gebrekkige natuurlijke weerstand het loodje legden en niet meekonden komen. Door het gebruik van medicijnen is het mogelijk geworden dat duiven met minder weerstand toch behandeld konden worden en dat deze zich konden vermenigvuldigen. Vaak waren dit duiven met goede vliegeigenschappen. Maar hierdoor ging de natuurlijke selectie voor een deel verloren. Langzaam maar zeker werd het gebruik van medicamenten dan ook bittere noodzaak. 
Daarnaast deed door het veelvuldige (en soms niet juiste) medicijngebruik de resistentie zijn intrede. Steeds vaker moeten medicamenten in hogere doseringen gegeven worden om nog dezelfde werkzaamheid te hebben. De werkzaamheid loopt bij gelijkblijvende dosering immers steeds meer terug. Een goed voorbeeld is het gebruik van Ronidazole 10%. Waar een vijftiental jaren geleden een dosering van een halve gram per liter al voldoende was om een effectieve werking te hebben zitten we nu al aan een dosering van 4 gram per 2 liter. Vier keer zo hoog dus om diezelfde werking te hebben. Dit geldt ook voor andere aandoeningen.
Nu is het zo dat er nauwelijks medicijnen voor duiven geregistreerd zijn. En de medicijnen die wel geregistreerd zijn hebben doseringen die vaak niet meer voldoen. Simpelweg vanwege dezelfde resistentie. Omdat het voor de betrokken firma’s te veel kost om de medicamenten in een hogere dosering opnieuw te laten registreren blijft de dosering ongewijzigd, waardoor de resistentie alleen maar in de hand wordt gewerkt.
Daarnaast zijn er veel zgn. 5% potjes in de handel. Dit zijn medicijnen die niet geregistreerd hoeven te worden en die vrij verkocht mogen worden omdat er maar 5% medicijn is zit en meestal 95 gram druivensuiker of melksuiker.
Deze medicamenten stammen vaak af van medicamenten die voor het van kracht worden van de diergeneesmiddelenwet een hoger gehalte aan werkzame bestanddelen bevatten. Alleen is na het van kracht worden van de diergeneesmiddelen wet de dosering niet aangepast terwijl de samenstelling veranderde in die zin dat er in plaats van bijvoorbeeld 28% medicijn nog maar 5% medicijn erin zit.
Het gevolg hiervan is dat het medicijn in een veel te lage dosering aan de duiven verstrekt wordt wat ook weer de beruchte resistentie in de hand werkt.
Dus hoedt U allen voor het gebruik van deze 5% potjes die overal vrij verkocht mogen worden.

Maar terug naar het verhaal. Duiven die ten gevolge van het gebruik van weerstandsverhogende producten een betere afweer hebben zijn niet alleen minder gevoelig voor infecties. Ze kunnen de infecties die ze meemaken veel beter aan. Doordat de weerstand beter is kunnen ze als medicamenten nodig zijn veelal toe met minder medicijnen. Ze reageren sneller en zijn sneller hersteld. Dat betekent dat deze duiven meer tijd hebben om aan de forme te werken. Minder energie wordt verspild aan afweer en herstel. Kortom het komt de duiven ten goede.
Tot slot. In de praktijk is gebleken dat de jonge duiven die drie keer per week een product als Boni-SGR kregen beter uitgroeien als duif.
In het algemeen (uitzonderingen bevestigen zoals altijd de regel) blijken de verliezen in het jonge duivenseizoen aanzienlijk minder te zijn. 

Betekent het nu dat duiven die weerstandsverhogende drank krijgen helemaal geen medicamenten nodig hebben?
Dat is veelal natuurlijk niet zo. 
Zoals gezegd hebben ze veelal minder medicamenten nodig en herstellen ze sneller. Maar dat is iets anders dan helemaal geen medicamenten nodig hebben. 

Duiven die ziek zijn dienen goed gekuurd te worden. Die moeten niet op hoop van zegen een dag in de week een medicijn toegediend krijgen. Dit is een volstrekt foute handelwijze.
Echter zoals eerder gesteld hebben een groot aantal duiven antistoffen tegen o.a Chlamydiae in hun bloed. Bewezen is dat veel duiven drager zijn van deze parasieten. Er is hier zoals gesteld veelal sprake van een evenwicht tussen gastheer en parasiet. Ziektes als paratyfus en ook stress omstandigheden kunnen ertoe bijdragen dat deze verwekkers van luchtwegproblemen uit hun schuilplaatsen komen en problemen beginnen te veroorzaken.
Bij duiven met een hogere weerstand zal dit later of in veel mindere mate gebeuren dan bij duiven met een gebrekkige weerstand. Bij duiven met een goede weerstand zullen de problemen ook later optreden dan bij duiven met een gebrekkige weerstand. Bij deze laatste duiven zien we na de tweede of derde vlucht van de oude, de prestaties teruglopen.
Echter in de praktijk blijkt dat als we een keer in de week na thuiskomst een GOED middel tegen luchtwegaandoeningen geven dit probleem deels voorkomen kan worden.
Als de weerstand van de duiven echter gebrekkig is zal het succes van deze aanpak soms niet volledig zijn. Vaak zal dan na verloop van tijd toch een echte kuur gegeven moeten worden, met als gevolg dat de vorm veelal verloren gaat.
Gebleken is nu dat duiven met een goede weerstand wel baat hebben bij deze aanpak van een dag in de week een medicament voor de kop te geven.
We adviseren dan wel om niet om de haverklap van medicament te wisselen.
Zijn de omstandigheden dramatisch slecht geweest tijdens een vlucht dan kan het zijn dat ook deze duiven met een goede weerstand ten prooi vallen aan een infectie. Nu blijkt dat deze duiven doorgaans sneller herstellen dan de overige duiven.

Moraal van dit verhaal.
Probeer in de toekomst niet te geloven in het wonder uit de medicijnpotjes.
Maar probeer door bij de basis te beginnen een goede en sterke duivenkolonie op te bouwen die uiteindelijk minder medicamenten nodig heeft. Begin meer aandacht te geven aan de natuurlijke weg. En begin daarmee al tijdens de kweek en overtuig u zelf.  

Succes met de kweek

Peter Boskamp
dgkcentrum@planet.nl

Terug naar Dr. aan het woord
Terug naar Duiven.net

Een site van ADVIDU, Utrecht