Krabbels van Krabber
Deel 21 "Tussen
oud en nieuw?"
|
En het
is 5€. In de
auto zat ik me af te vragen waar ik terecht zou komen. Ik was al in heel wat
opvangstations geweest; deze locatie kende ik nog niet. Mogelijkerwijs was
het station ook nieuw? Nee gek, vermande ik mezelf. Bij een steeds verder
teruglopend aantal liefhebbers schieten de nieuwe opvangstations ook niet
meer als paddestoelen uit de grond. Hoe dan ook, ik ging weer gewoon op pad
om mijn duif te halen. Om ze mogelijkerwijs toch niet meer terug te zetten
op mijn hokken uit angst voor allerlei mogelijke besmettingen. Maar toch
ging ik ze altijd halen. Voor 5€. Plus benzine, corrigeerde ik mezelf.
Vroeger kon je, als ze tenminste de moeite waard was, zo’n duif schenken
aan een jeugdlid van de vereniging. Maar wanneer hadden wij het laatste
jeugdlid verwelkomd…….. Ondertussen
kletterde de regen tegen mijn voorruit. De verslaggever op mijn autoradio
interviewde een ik-weet-alles-over-het-weer-bobo die vertelde dat de
opwarming van de aarde, el Ninjo en de recente wateroverlast waar half
Europa mee te kampen had, allemaal in een rechtstreeks lineair verband
stonden. Ik duwde op een knop waarmee automatisch het volgende station
gezocht werd. Hier werd door een hoogleraar de vloer aangeveegd met het
gevoerde regeringsbeleid. “Je moest niet proberen de waterlopen te
beteugelen. Maar gewoon niet meer in de uiterwaarden bouwen”. Het was
volgens deze geleerde goedkoper om hele dorpen elders opnieuw op te bouwen
dan nieuwe kades en dijken aan te leggen over een afstand van honderden
kilometers. Bovendien zouden die, over enkele jaren, ook al weer niet meer
hoog genoeg blijken. Door de voortdurende opwarming van de aarde, de invloed
van El Ninjo…………. Terwijl
de regen nog steeds met bakken uit de hemel kwam zag ik een nieuwe boerderij
op het gevraagde adres. Dus toch een nieuw opvangstation, dacht ik
triomfantelijk. Een zestiger die op schoenen met platgetrapte hakken over
het binnenerf slofte, kwam de smeedijzeren poort opendoen. Die oude poort
past niet bij die gevel, schoot het door mijn hoofd. Maar tegelijkertijd
realiseerde ik mij dat die nieuwe gevel ook het enige nieuwe was dat deze
boerderij te bieden had. Kennelijk was hier iemand bezig een renovatie uit
te smeren over zijn totale levensboog. En aan de tred van mijn gastheer te
oordelen was het geenszins meer zeker dat dit levenswerk nog af zou
komen. Het
was alsof ik de man in alle toonaarden van diefstal beschuldigd had. “Wij
doen geen duiven de ringen uit! Kom maar mee dan kunt ge het zien. Pas als
we ze dood moeten doen gaan die ringen uit” De man stiefelde voor me uit
naar een belendend bouwval. In het schemerdonker van deze stal zag ik nog
veel meer duiven. Maar vooral, ik rook ze. Kent U die typische geur van mest
en nat gevederte? Gemengd met de toch al niet frisse odeur die duiven
verspreiden als ze enige weken gezworven hebben? De lucht was ervan
bezoedeld. Honderden duiven in ‘volières’ die de man van allerlei
afvalhout, draad en afdankertjes van anderen geschapen had. En overal lekte
het hemelwater door de pannen. Aan mijn schoenen zat inmiddels een dik pak
veren geplakt. Kennelijk had er ook nog ‘ergens iets’ van ‘organische
aard’ onder die rommel verstopt gezeten want ik nam vervolgens een
penetrante geur mee bij elke stap die ik verzette. Mijn
gastheer was inmiddels naar buiten gelopen. Onder de werkelijk overal
lekkende goot stonden hier nog meer duiven-bevattende-containers. Maar zelfs
die omschrijving tart de werkelijkheid. Een oud keukendressoir uit
grootmoederstijd, een oude kleerkast, een bak van een aanhangwagentje. Alles
was hergebruikt en via wat gaas aan de voorkant omgetoverd tot riant
‘duivenverblijf in de drup’. “Deze worden niet meer opgehaald, maar ze
hebben nog allemaal de ringen aan! Als men ze mij toebrengt en men doet ze
van tevoren eerst de ring af, kan ik daar niks nie aan doen zunne?” Om
geen verdere kolen op het vuur te doen gooide ik het maar over een andere
boeg. “Krijgt U al die duiven gebracht?” zei ik met groeiende verbazing.
“Hoeveel duiven zijn het eigenlijk”? Mijn gastheer schatte het aantal op
een kleine vijfhonderd. Maar in het seizoen komen we ook wel ooit boven de
duizend! Maar de meeste vang ik zelf. Hij wees naar een kerk en een fabriek
die ik in de mist en de regen natuurlijk niet kon ontwaren. Uit een roestig
vehikel dat ooit auto moet zijn geweest toverde hij wat voer dat stonk naar
anijs en nog wat andere onbestemde geuren. Zichzelf onderwijl kronend als
het equivalent van de rattenvanger van Hamelen op duivengebied.
Duizenden….. Ik
begon me voor te stellen hoe dicht de beestjes dan wel op elkaar zaten.
Inmiddels liepen we nog door twee andere ‘gastverblijven’. ‘De patron’
werd geroepen voor koffie. Of ik ook een kop koffie wilde? Een gehavend
mondje met heel veel leegstand keek me aan. Ik wilde geen koffie maar mocht
ik wel even gebruik maken van het toilet? Tijdens mijn sanitaire stop werd
ik, kijkend naar de staat van hun ‘gemak’, overtuigd dat geen koffie de
enig juiste keuze geweest was. Terwijl ik de keuken doorkruiste op weg naar
de regen en naargeestigheid, werd ik gewezen op een weckfles vol chipringen.
U kunt van die ‘schipsringen’ van ons kopen als ge wilt? Ge kunt die
toch weer gebruiken? Ik kan U wel de ‘ollandse’ eruit zoeken……..”?
Krabber.
Heeft
u reacties op bovenstaand artikel, dan kunt u deze sturen aan: krabbels@duiven.net
|
| Terug naar Krabber Terug naar Duiven.net Een site van ADVIDU, Utrecht |