Krabbels van Krabber
 Deel 21 "Tussen oud en nieuw?"

En het is 5€. 
Uit die korte waarschuwing, althans zo klonk het, aan het eind van ons gesprek, kon ik meteen afleiden dat de geldontwaarding ook in België om zich heen had gegrepen sinds de komst van de Euro. Maar in ieder geval was het nu iets makkelijker geworden dacht ik bij mezelf. Vroeger moest je per duivenopvangstation gaan omrekenen. Ik meende de laatste keer 100 BFr. betaald te hebben, ongeveer 5 gulden dus. En nu al 5 Euro! Geen gedoe met omrekenen: ze hadden gewoon het gulden- door het Euroteken vervangen, schoot het door mijn hoofd. 
En passant kreeg ik ook nog wat aanwijzingen over de rit en de exacte locatie.

In de auto zat ik me af te vragen waar ik terecht zou komen. Ik was al in heel wat opvangstations geweest; deze locatie kende ik nog niet. Mogelijkerwijs was het station ook nieuw? Nee gek, vermande ik mezelf. Bij een steeds verder teruglopend aantal liefhebbers schieten de nieuwe opvangstations ook niet meer als paddestoelen uit de grond. Hoe dan ook, ik ging weer gewoon op pad om mijn duif te halen. Om ze mogelijkerwijs toch niet meer terug te zetten op mijn hokken uit angst voor allerlei mogelijke besmettingen. Maar toch ging ik ze altijd halen. Voor 5€. Plus benzine, corrigeerde ik mezelf. Vroeger kon je, als ze tenminste de moeite waard was, zo’n duif schenken aan een jeugdlid van de vereniging. Maar wanneer hadden wij het laatste jeugdlid verwelkomd……..

Ondertussen kletterde de regen tegen mijn voorruit. De verslaggever op mijn autoradio interviewde een ik-weet-alles-over-het-weer-bobo die vertelde dat de opwarming van de aarde, el Ninjo en de recente wateroverlast waar half Europa mee te kampen had, allemaal in een rechtstreeks lineair verband stonden. Ik duwde op een knop waarmee automatisch het volgende station gezocht werd. Hier werd door een hoogleraar de vloer aangeveegd met het gevoerde regeringsbeleid. “Je moest niet proberen de waterlopen te beteugelen. Maar gewoon niet meer in de uiterwaarden bouwen”. Het was volgens deze geleerde goedkoper om hele dorpen elders opnieuw op te bouwen dan nieuwe kades en dijken aan te leggen over een afstand van honderden kilometers. Bovendien zouden die, over enkele jaren, ook al weer niet meer hoog genoeg blijken. Door de voortdurende opwarming van de aarde, de invloed van El Ninjo…………. 
Het leek het meest gebezigde gespreksthema. Op elke zender. Dus legde ik het ding maar het zwijgen op. 

Terwijl de regen nog steeds met bakken uit de hemel kwam zag ik een nieuwe boerderij op het gevraagde adres. Dus toch een nieuw opvangstation, dacht ik triomfantelijk. Een zestiger die op schoenen met platgetrapte hakken over het binnenerf slofte, kwam de smeedijzeren poort opendoen. Die oude poort past niet bij die gevel, schoot het door mijn hoofd. Maar tegelijkertijd realiseerde ik mij dat die nieuwe gevel ook het enige nieuwe was dat deze boerderij te bieden had. Kennelijk was hier iemand bezig een renovatie uit te smeren over zijn totale levensboog. En aan de tred van mijn gastheer te oordelen was het geenszins meer zeker dat dit levenswerk nog af zou komen. 
Gij zijt hier voor welke duif? Ah! Dien jongen ‘ollander’. Kennelijk was de man niet in staat tot actie te komen alvorens hij zijn 5 Euro ontvangen had. De uitgestoken lege hand was in ieder geval dermate dwingend dat ik meteen in mijn broekzak ging graaien. Langzaam liet ik mij voorgaan naar een soort schop dat vol stond met matrassen, bedden, oude kasten en vooral veel oude rommel. Een deel was afgezet met gaas. Hier en daar gerepareerd met wat elektriciteitsdraad, touw en andere hulpmiddelen waardoor het geheel iets kunstigs gekregen had. Aan de binnenkant stonden er wat planken tegenaan die - naar ik vermoedde – wat latten mochten dragen waarop de duiven konden zitten. Daadwerkelijk binnen aangeland bleek al gauw dat ik de scheppingsdrang van mijn gastheer tekort gedaan had. Aan de binnenkant zat namelijk iets dat op aparte-kooitjes-voor-elke-duif-afzonderlijk moest lijken. Vermoedelijk dat de man het in het pikdonker in elkaar gezet had want letterlijk elke plank zat scheef. En geen enkele plank was qua breedte, kleur en lengte ook maar enigszins verwant aan de andere. En dat maakte het ook weer bijzonder. Hier was een echte kunstenaar aan het werk. Hoezo nieuw opvangstation glimlachte ik. Een voorzichtige schatting leverde zo’n 100 opvangers op.
Terwijl ik dien jongen ‘ollander’ in de handen kreeg gedrukt keek ik even naar de vaste voetring èn naar de chipring. Niet dat ik persé verwachtte een lege poot aan te treffen, maar het zou ook niet de eerste keer zijn geweest…….

Het was alsof ik de man in alle toonaarden van diefstal beschuldigd had. “Wij doen geen duiven de ringen uit! Kom maar mee dan kunt ge het zien. Pas als we ze dood moeten doen gaan die ringen uit” De man stiefelde voor me uit naar een belendend bouwval. In het schemerdonker van deze stal zag ik nog veel meer duiven. Maar vooral, ik rook ze. Kent U die typische geur van mest en nat gevederte? Gemengd met de toch al niet frisse odeur die duiven verspreiden als ze enige weken gezworven hebben? De lucht was ervan bezoedeld. Honderden duiven in ‘volières’ die de man van allerlei afvalhout, draad en afdankertjes van anderen geschapen had. En overal lekte het hemelwater door de pannen. Aan mijn schoenen zat inmiddels een dik pak veren geplakt. Kennelijk had er ook nog ‘ergens iets’ van ‘organische aard’ onder die rommel verstopt gezeten want ik nam vervolgens een penetrante geur mee bij elke stap die ik verzette.

Mijn gastheer was inmiddels naar buiten gelopen. Onder de werkelijk overal lekkende goot stonden hier nog meer duiven-bevattende-containers. Maar zelfs die omschrijving tart de werkelijkheid. Een oud keukendressoir uit grootmoederstijd, een oude kleerkast, een bak van een aanhangwagentje. Alles was hergebruikt en via wat gaas aan de voorkant omgetoverd tot riant ‘duivenverblijf in de drup’. “Deze worden niet meer opgehaald, maar ze hebben nog allemaal de ringen aan! Als men ze mij toebrengt en men doet ze van tevoren eerst de ring af, kan ik daar niks nie aan doen zunne?” Om geen verdere kolen op het vuur te doen gooide ik het maar over een andere boeg. “Krijgt U al die duiven gebracht?” zei ik met groeiende verbazing. “Hoeveel duiven zijn het eigenlijk”? Mijn gastheer schatte het aantal op een kleine vijfhonderd. Maar in het seizoen komen we ook wel ooit boven de duizend! Maar de meeste vang ik zelf. Hij wees naar een kerk en een fabriek die ik in de mist en de regen natuurlijk niet kon ontwaren. Uit een roestig vehikel dat ooit auto moet zijn geweest toverde hij wat voer dat stonk naar anijs en nog wat andere onbestemde geuren. Zichzelf onderwijl kronend als het equivalent van de rattenvanger van Hamelen op duivengebied. Duizenden…..

Ik begon me voor te stellen hoe dicht de beestjes dan wel op elkaar zaten. Inmiddels liepen we nog door twee andere ‘gastverblijven’. ‘De patron’ werd geroepen voor koffie. Of ik ook een kop koffie wilde? Een gehavend mondje met heel veel leegstand keek me aan. Ik wilde geen koffie maar mocht ik wel even gebruik maken van het toilet? Tijdens mijn sanitaire stop werd ik, kijkend naar de staat van hun ‘gemak’, overtuigd dat geen koffie de enig juiste keuze geweest was. Terwijl ik de keuken doorkruiste op weg naar de regen en naargeestigheid, werd ik gewezen op een weckfles vol chipringen. U kunt van die ‘schipsringen’ van ons kopen als ge wilt? Ge kunt die toch weer gebruiken? Ik kan U wel de ‘ollandse’ eruit zoeken……..”? 

Soms kun je ze zo maar tegen komen. De tegenstellingen tussen oud en nieuw.

Krabber.

Heeft u reacties op bovenstaand artikel, dan kunt u deze sturen aan: krabbels@duiven.net 
Wij zorgen ervoor dat deze reacties bij de schrijver terecht komen. 

Terug naar Krabber
Terug naar Duiven.net

Een site van ADVIDU, Utrecht