|
Het
was een prachtige duif. Hij viel voortdurend op tussen z’n soortgenootjes.
Ook omdat ‘ie zo bont was. En de meeste van zijn soortgenoten waren gewoon
‘rechttoe - rechtaan’.
Donker, zwart, rood, een enkele blauwe of kras. Allemaal bestemd voor het
zware werk. Maar geen bonte. Hij wel. Hij was ’n lichte kras doffer met
heel veel witte pennen. Mijn zoon had ‘m de naam ‘Bonte Max’
toebedeeld. Helemaal in lijn met zijn vader die ‘Blauwe Max’ heette.
Rechtstreeks afkomstig van twee Indonesische broers die in de duivensport
furore gemaakt hadden en dat nog steeds doen. Bescheiden, bijna timide
jongens, die het vak in de vingers hebben. Maar we hadden hem net zo goed
naar z’n moeder kunnen vernoemen. Ook die was van zogenaamde ‘komaf’.
En dat had waarschijnlijk net zo veel pesterijen opgeleverd. Niet omdat je
je had moeten schamen voor die tak. Nee, die familie was -zo mogelijk-
nog beter. Maar in dit duivenhok werd niet gevraagd naar je naam. En
als je je bij je hokgenoten voorstelde met je naam had je al een probleem.
Dan begon de rest je hier onmiddellijk te jennen. ‘Bonte Max’ had daar
inmiddels heel wat ervaringen in opgedaan.
Doodgewoon omdat z’n collega’s hem een beetje opschepperig vonden en
‘m dat ook telkens duidelijk gemaakt werd.. Hoe bescheiden hij ook
trachtte te vertellen over heel normale zaken in zijn familie, hij kon het
niet maken bij z’n hokgenoten. Vaker kreeg hij te horen dat hij nooit meer
terug zou komen als ‘ie voor het eerst eens een paar dagen in een
duiventrein zou zitten. Z’n chique afkomst werd ‘m bijna dagelijks onder
de neus gewreven. Slaande ruzie was dan vaak het gevolg. Max liet zich niks
zeggen. Telkens als ik het jongenduivenhok betrad was mijn
bonte Max aan het vechten met de een of andere rivaal.
Maar ja, wat wil je. Als je in een fluwelen pak, zijden stropdas compleet
met Rolex-horloge, een
achterbuurt ingaat, is dat vragen om moddervlekken. Of wellicht nog veel
vervelender zaken. De druppel die de emmer deed overlopen was een havik die
telkens in het klad dook en daarbij jacht maakte op hem. Uitgerekend op hem.
Waarschijnlijk omdat hij zo opviel met zijn opzichtige fluwelen pak. Toen
dat voor de tweede achtereenvolgende dag gebeurde hield onze ‘Bonte Max’
het dan ook voor gezien. Hij ging op de wieken. Vastbesloten nam hij zich
voor te blijven vliegen totdat-ie-niet-meer-kon. Hij was al een paar grenzen
gepasseerd toen de avond viel.
Wat nu? Een ding was zeker. Hij zou niet meer terug gaan. Nooit meer. Voor
geen goud.
Weken gingen voorbij. Weken van aftakeling en verval. En stilte aan onze
kant. We hadden onze ‘Bonte Max’ al opgegeven toen er plotseling een
kaart in de bus viel.
Ik
was ontzettend blij. De ‘Bonte Max’ was binnengelopen bij onze
zuiderburen. Weken geleden vertrokken en nu weer terecht. Zou hij al die
tijd gezworven hebben? Meteen klom ik in de telefoon. Tijdens het bellen
vroeg ik me af waarom er een kaartje aan te pas moest komen. Mijn duiven
hadden allemaal een naamring om inclusief telefoonnummer. Aan de andere kant
klonk een mannenstem. Nee, de duif vloog niet uit bij hem. En hij was ook
niet binnengelopen. Aan de overkant stond namelijk een school. En hij had
toestemming gekregen om er de duiven weg te vangen en zo probeerde hij
iedereen zijn duif terug te bezorgen. De stem ratelde voort…… Ik moest
eens weten welke verwensingen hij soms naar z’n hoofd kreeg terwijl hij
zijn best deed om………
Wat? Ik wilde vandaag nog komen om de duif terug te halen? Dan moest het wel
een hele goeie zijn, toch?
In de auto moest ik aan de ‘Bonte Max’ denken. Ik had gezien dat er een
paar weken geleden een roofvogel tussen mijn jonge duiven gedoken was en
’s avond misten er 30 stuks. Onder andere de duif waar ik nu naar op weg
was. Eigenlijk omdat m’n zoon er zo verzot op was.
Krabber.
Heeft
u reacties op bovenstaand artikel, dan kunt u deze sturen aan: krabbels@duiven.net
Wij zorgen ervoor dat deze reacties bij de schrijver terecht komen.
|