Krabbels van Krabber
 Deel 31 " Het sterft nooit uit. " Deel 2

Deels door mijn drukke werkzaamheden maar ook omdat ik geen 'geprogrammeerd' mens ben en meer nog wellicht omdat ik geen slaaf wil zijn van mijn duiven, leg ik mijzelf weinig regelmaat op. Ik voer niet elke dag op hetzelfde tijdstip. Ik krab het hok niet altijd (elke dag) en zeker niet op hetzelfde tijdstip. En bij mij staat ook wel eens een drinkbak een paar uur droog (niet elke dag!). Voor mijn duiven is het zaak geweest te wennen aan de afwezigheid van regelmaat; maar wellicht is dat ook regelmaat?

Nu moet ik toegeven dat de prestatiecurve meestal wat omhoog gaat als ik in de zomermaanden een aantal weken aaneengesloten geniet van mijn vakantie 'aan huis'.
Maar dat heeft er niet mee te maken dat ik dan opeens zoveel regelmatiger ben. Ik ben dan gewoon MEER op de hokken, kan sneller ingrijpen en heb meer tijd om na te denken. Na te denken over allerlei trucjes die ik zou kunnen uithalen om de duiven meer te motiveren. En dat is meestal van beslissende invloed op die eerder genoemde prestatiecurve. Het tegendeel is ook het geval. De pleuris breekt meestal ook op mijn hokken uit als ik zelf ziek ben. En als ik een 'hokverzorger' had tijdens enige weken afwezigheid kon er zelden de kampioensvlag gehesen worden. Het bovengenoemde inzicht is heel belangrijk. Je moet de TIJD hebben voor je duiven en ZIEN wat er mankeert en daar vervolgens wat aan DOEN.
Als het aan een van die factoren ontbreekt, zullen de resultaten navenant zijn. Nu wil het toeval dat ik dit jaar vroeg ben. Ik heb 'op tijd' gekoppeld en als de vogelpest geen roet in het eten gooit kan ik er met een aantal weduwnaars vanaf de eerste zondag bij zijn. Andere jaren was dat niet het geval. Doordat (te) laat gekoppeld werd zaten ze ten dele nog op nest en gingen ze bij de tweede of derde zondag pas over. Voor mezelf sprak ik dat altijd goed door te roepen dat 'het weer de eerste weken meestal toch nog niet optimaal is' en dat het sowieso 'hartstikke moeilijk is om een ploeg gemotiveerd te houden gedurende het hele seizoen'. 
Maar ook de opmerking dat duiven op nest zelden dikke koppen kennen, heb ik wel eens gebezigd. Ik durf te wedden dat duivenmelkers de sterkst presterende bevolkingsgroep vertegenwoordigen als het gaat om het zoeken naar excuses.

Dit jaar dus anders. De hele bups zit al 4 weken op weduwschap en oefent elke dag minimaal een uur. Zoals ze door de lucht scheren en met hun vleugels af en toe klepperen; maken ze luidruchtig duidelijk dat ze klaar zijn voor het naderende seizoen. En aan mij de schone taak om ze zo te houden. Voorlopig kan ik op twee oren tegelijk gaan slapen.

Eén jarige doffer houdt me echter bezig. Hij heeft een jong grootgebracht gedurende 14 dagen totdat zijn duivin de biezen pakte met medeneming van het kroost. Vanaf dat moment van de echtscheiding ligt meneer de hele dag te huilen in zijn bak en o wee als ik ze uitlaat. Geen meter vliegen maar wel alle kleppen aflopen, op zoek naar zijn schoonheid. Dus ik met een bal, steentjes en 'n vlag achter de seigneur aan aan 't jagen want er moet getraind worden, toch? Maar hij vond z'n reproductiefase veel te spannend en struint dank zij al mijn gejaag nu de hele buurt af op zoek naar z'n lief. Totdat ik gisteren telefoon kreeg van een liefhebber uit een naburig dorp. Er was een jarige doffer bij hem naar binnen gelopen. Of ik hem even op kwam halen. En ik had al opgelegd voordat ik me realiseerde welke doffer. Dus met enige tegenzin toch maar op pad. De twee opgewonden keffende hondjes vormden een wonderlijk contrast met de bejaarde oude heer die heel rustig en bedaard de deur open deed. Terwijl het jeugdig geweld in volume enigszins afnam liepen we samen door het woonhuis naar het achterliggend erf waar het duivenhok stond. Gastvrij werd ik in de gelegenheid gesteld ook de duiven te bewonderen. Keurig verdeeld over negen nestbakken zag ik een keur aan blauwe duiven. “Net gekoppeld en allemaal Janssen’s” verzekerde mijn gastheer trots. “En hoe speelt U?”, was mijn spitse antwoord.

“Och, eigenlijk heel aardig”…………. En bij het woord ‘eigenlijk’ schijn ik zo’n afgrijselijke grimas vertoond te hebben dat de man zich wel geroepen voelde dit te verklaren. “Ze komen wel goed, maar meestal net even 10 minuten te laat”(!). De oorzaak daarvoor meende ik al bij de eerste blik in het hok gezien te hebben. De ‘echte’ Janssen’s zaten er bij alsof ze ingekruist waren op olifantjes, zo groot waren hun oren. Of hij al eens ooit iets ‘tegen de koppen’ gegeven had? De man haalde z’n schouders op. Hij ging 1 keer per jaar, op de fiets, naar een plaatselijke dierenarts voor de enting. En die had geen verdere ziekten kunnen vaststellen. Bovendien vond hij dat al trouble genoeg: op de fiets met twee korven vol duiven!
“Maar een plaatselijke dierenarts weet niks van duiven”, probeerde ik nog. Ik wil U wel eens meenemen als ik naar de bekende dierenarts ‘X’ ga?
Ik weet niet wat hem meer angst inboezemde, de afhankelijkheid daarbij van mij, de rit in mijn bolide, of de rekening die zo’n beroemde dierenarts in petto zou hebben. In ieder geval wees hij het voorstel resoluut van de hand. Hij kende nog een liefhebber die altijd zijn spullen kocht bij X. “Die heeft elke dag wat in het water. Maar die duiven komen net zo min”. “Wij liggen hier nou eenmaal hartstikke slecht in dit gat”. “Dat is het hele eieren eten!”
Triomfantelijk ontmoetten zijn ogen de mijne. Daar had ik niet meer van terug.


Krabber.

Heeft u reacties op bovenstaand artikel, dan kunt u deze sturen aan: krabbels@duiven.net 
Wij zorgen ervoor dat deze reacties bij de schrijver terecht komen. 

Terug naar Krabber
Terug naar Duiven.net

Een site van ADVIDU, Utrecht