|
De
telefoon haalde mij volledig uit mijn concentratie. Ik weet ook niet waarom.
Hij rammelt zo vaak dat ik aan dat geluid inmiddels aardig gewend zou moeten
zijn. Maar toch. Ik was volledig van mijn apropos. Een rauwe mannenstem aan
de andere kant liet mij weinig kans om even rustig ‘bij te komen’.
‘Of ik duiven had?’ wilde hij weten. En nog voordat ik ja gezegd had
liet hij al weten dat hij een duif van mij gevangen had die ik kon komen
ophalen.
Vervolgens kreeg ik een adres (opnieuw zonder naam) en de - hoogst
waarschijnlijk vriendelijk bedoelde - tekst naar mijn oor geslingerd om hem
maar zo gauw mogelijk te komen halen.
Tien minuten later was ik al op weg. Bij het opgegeven adres was ik
enigszins verrast. Een prachtig herenhuis waar je geen duivenhok achter zou
zoeken.
Althans, ik weet niet of ik er een duivenhok naast zou planten, hoe
verslingerd dat ik ook ben aan de duivensport. Maar goed, ieder zijn heug en
meug.
De duivenmelker himself deed open. En zijn openingszet was meer dan
verrassend. Ik kreeg een compliment voor mijn snelle actie. Onmiddellijk
mompelde ik iets terug over ‘anderen met mijn opvangers niet tot last
willen zijn’ en omdat ik de aandacht niet zo graag op mijzelf gericht zie
ging ik door met een compliment over het prachtige huis.
Nu ben ik altijd al onder de indruk geweest van de zeggingskracht van de
fabels van La Fontaine. Speciaal die waarin ‘le corbeau’ zwicht voor het
compliment van ‘le renard’ over zijn zangtalenten en spontaan begint te
krijssen. Gevolg: het felbegeerde stuk kaas valt op de grond en de rode vos
stapt er parmantig mee hene.
Iets soortgelijks was hier twee eeuwen later nog steeds te aanschouwen. De
gastheer van mijn blauwe sprik begon te krijssen over zijn onverzadigbare
drang naar het beste. Hij had kosten noch moeite gespaard met betrekking tot
zijn stulpje en ‘zo’ stond hij ook in het leven. Alleen het beste was
goed genoeg. En dat gold vanzelfsprekend ook voor de duiven. Allerlei
beroemde namen ratelden als in een mitrailleurvuur over mijn hoofd. Zuivere
dit en zuiver dat. Hij had het allemaal. En niet ‘zoals anderen’ uit 2e
of 3e hand. Nee meneer. Zelf gekocht, aan de bron.
Ik kan het niet helpen maar ik deed er nog een schepje bovenop. Over de
‘succesvolle zakenman’ die ook in het dagelijks leven met minder geen
genoegen neemt. De man was overtuigd dat hij ‘klasse-duiven’ op zijn hok
had. Klasse, klasse en nog eens klasse was het credo. Je kon natuurlijk
geluk hebben en met een ‘toevlieger’ of een ‘duif van de kerktoren’
maar die kans was te verwaarlozen klein, wist hij. Er waren veel meer
slechte dan goeie en de kans dat je een superduif opvangt is net zo groot
als een hoosbui in de Sahara die twee weken aanhoudt.
Ik was in ieder geval geraakt door de meteorologische kennis en ik vroeg me
af sinds wanneer je opgevangen duiven zomaar mag houden? De les
‘duivenhouden met gegarandeerd succes’ ging maar verder. Het hok was een
waar juweel. Automatsiche verduistering, automatische voerdistributie,
automatische drinkwaterverversing, lopende banden voor de mestafvoer, ga zo
maar door. Ik kreeg het gevoel alsof ik op de voorjaarsbeurs was. Alleen met
dat verschil dat je daar alle kraampjes langs moet om alle nieuwigheden te
zien en hier was het in één kraam gecombineerd. Alleen was alles
overduidelijk gericht op ‘de baas’ en ‘weinig tijd’.
Het jonge duivenhok bijvoorbeeld was het treffendste voorbeeld van steriel
duivenhouden. Geen gezelligheid, geen knusse duistere hoekjes om in weg te
kruipen geen enkel vleugje gezelligheid
dat uitnodigde tot een scharrel. En passant vroeg ik naar de
wedvluchtresultaten. Ik kreeg een paar uitschieters gerapporteerd, sommige
zelfs al enigszins bejaard maar geen week-in-week-uit glorie. “Om elke
week aan de kop te kunnen draaien moet je meer tijd hebben”, doceerde mijn
gastheer verder. En daar ontbrak het helaas nog wel eens aan. Ik vroeg me af
of zijn zakelijke dictionaire het woord ‘downsizing’ kende? Wat minder
duiven houden?
Natuurlijk niet. Je moest er veel hebben en daaruit alleen de
‘steengoeie’ houden. De rest werd hier verkocht. Vanwege de afstamming
alleen al had hij heel veel vraag. Omdat ‘Jan met de pet’ zich zulke
juweeltjes gemeenlijk niet eens kan veroorloven. En dan vond men dit een
buitenkansje.
Ondertussen viel me op dat de gritbakken op het kweekhok kennelijk al enige
tijd leeg hadden gestaan. En omdat het allemaal ‘vastzitters waren met
geweldige stambomen’ waren veel nesten veranderd in een natte kliederboel.
Want zelfs de meest ‘geweldige stambomen’ hebben een normale
elektrolytenhuishouding. Zelfs de meest geweldige stamboom heeft behoefte
aan een normale portie zouten en mineralen.
Uit de bovenste nestbak vloog een duivin naar de grond toe die zoveel
gegeven had, zoveel gevoerd en zoveel heen en weer gevlogen naar haar kroost
dat zij nu de bovenste bak niet meer haalde. Duiven voelen feilloos aan als
er sprake is van een tekort. En om dat tekort te compenseren gaan ze nog
meer (water) voeren. In de hoop ‘het’ hiermee aan te vullen. Maar nu kon
ze niet meer. Ze bleef op de grond zitten. Haar poten leken haar lijf niet
meer te kunnen dragen. Hulpeloos strekte ze haar vleugels om
niet voorover te vallen. Maar toch deed ze dat. Mijn gastheer pakte
haar resoluut van de grond.
“Wat niet gezond blijft uit zichzelf……………”: klonk het heel
dreigend.
Hij was overtuigd dat hier sprake was van een ziekte. Een vriend had gezegd
dat je dit beeld vaak zag bij een acute streptokokken infectie.
Mijn ampele tegenwerpingen dat een bakje grit, voldoende water en enkele
uren afzondering wellicht wonderen zouden doen, ten spijt.
Maar ja, wie ben ik? Mijn eigen duiven verdwalen nota bene omdat ze wellicht
niet in orde zijn. Wie ben ik dan om anderen raad te geven? Misschien hebben
duiven met bijzondere stambomen wel bijzondere voedingspatronen. Zonder
mineralen. Zonder elektrolyten. Zonder grit.
Krabber.
Heeft
u reacties op bovenstaand artikel, dan kunt u deze sturen aan: krabbels@duiven.net
Wij zorgen ervoor dat deze reacties bij de schrijver terecht komen.
|