Krabbels
van krabber
Zolang hij zich kon herinneren voltrok zich al ditzelfde
tafereel. Opstaan, eten, even door de krant en dan naar de duiven toe.
Alleen viel het hem de laatste jaren steeds moeilijker.
De jaren begonnen te tellen. Plus het feit dat hij er nu alleen voor
stond. Hij had zijn duivenhokken al heel ver uitgedund om niet meer zoveel
werk te hebben. Veel duiven hadden ze nooit gehad, maar nu stonden er
zelfs een paar hokken leeg.
Maar een paar duiven moest en zou hij aanhouden.
Niet voor het geld. Maar ook en vooral om bezig te blijven. Hij wist zeker
dat hij de volgende dag niet meer zou opstaan, als hij zijn duiven zou
wegdoen. Bovendien kňn hij dat niet. Ze waren alles voor hem. Ze hadden
hen roem gebracht. Hun naam was over heel de wereld gegaan. Maar
onsterfelijk waren ze er niet van geworden, glimlachte hij. Onsterfelijk
zeker niet, mijmerde hij terwijl zijn loodzware armen, de emmer omhoog
zeulden met water uit de eigen put. Water voor de duiven uit de eigen put.
Hoeveel onzin was daar al niet over geschreven. Er zou ‘iets’ inzitten
in dat water. Het water was hun grote geheim werd gesuggereerd. Er waren
er die monsters meegenomen hadden om het wetenschappelijk te laten
analyseren. Ze hadden eraan gedronken hier. Eentje was er zelfs ooit bijna
de put in gedonderd omdat hij stiekem wat water wilde putten.
Lowieke barst in schaterlachen uit, hetgeen overgaat in een fikse
hoestbui. Binnen rinkelt de telefoon. De zoveelste keer! Laat maar
rinkelen. Ze bellen wel weer terug. Eerst de duiven.
Ja, er was heel wat onzin over hen geschreven. In het begin
waren ze er gevoelig voor geweest. Maar dat slijt. De tijd dat hij iemand
had willen vervolgen voor het moedwillig publiceren van pertinente leugens
lag ver achter hem. Hij stoeide nog wat met een paar duiven op nest. Ze
verdedigden hun kroost, zoals altijd. Maar ook zij waren minder fel.
Minder fel als hun beroemde voorvaderen. Hadden zij minder vuur? Was het
waar wat hier en daar te lezen viel? Dat ‘zijn soort’ zijn soort niet
meer was. Onzin, ook al hadden ze twintig jaar niet meer aan de vluchten
meegedaan, ‘de soort’ was nog steeds van onnavolgbare klasse. Zijn
hand was gewoon langzamer geworden, zei hij tegen zichzelf. Daarom oogde
de stoeipartij wat minder fel. “Op die manier ga je zelf nog aan die
onzin geloven”, vermande hij zich.
Binnengekomen rinkelde weer de telefoon. Ze hadden nog zo’n
oud bakelieten ding. De laatste jaren kwamen hier mensen met telefoons in
de auto, telefoons op zak. Ongetwijfeld hadden ze er ook nog een op de wc,
thuis. Hij niet, dit ene oude kreng was meer dan genoeg.
Hij duwde de versleten hoorn tegen zijn oor. “Hallo?”
Aan de lijn was een Duitser. Hij bleef maar zeuren. Hij speelde al goed.
Was Meister geworden en wilde nog beter. Uit het gezicht van Lowieke vie
af te lezen dat hij geen zin had in dit soort gesprekken.
“Keine Tauben zu verkaufen”. Het kostte Lowieke zichtbaar moeite om
die paar woorden Duits eruit te persen. Die Duitser wilde hem kennelijk
overtuigen van de klasse van zijn eigen duiven. Waarom belde hij dan als
zijn eigen duiven zo goed waren?
Het volgende ‘gesprek’ duurde nog korter. Dachten ze nou werkelijk dat
hij ook nog Chinees sprak? Opnieuw rinkelt het zwarte monster. Een
Hollandse gesprekspartner. Hij is directeur en wil graag enkele jonge
duiven kopen. Geld speelt geen rol. Maar hij wil ze wel graag snel hebben!
Lowieke legt uit dat er nog meer kopers zijn en dat hij toch enig geduld
moet hebben. De beller dringt aan: ”Enig geduld?” , enig geduld goed
en wel maar kan er bij benadering ingeschat worden hoe lang dat het zal
duren?
Als Lowieke - tegen beter weten in - toch aan die inschatting begint en
een termijn aangeeft van een ŕ twee jaar valt zijn opponent zowat van de
stoel. Hij kan geen twee jaar wachten. Bovendien moet Lowieke zich
realiseren dat ‘ie al in de negentig is. “Wie zegt dat U over 2 jaar
nog leeft?” Lowieke gromt
wat, hij weet zelf maar al te goed hoe oud hij is. Dat hoeft die verdomde
Hollander hem niet te komen vertellen.
Gedecideerd maakt hij een einde aan het gesprek. Waarom bellen ze nog
steeds als ‘de soort’ de soort niet meer is? Opnieuw gaat de telefoon.
Het is een bekende ‘makelaar in duiven’.
Hij wil de toezegging dat hij alle duiven kan kopen als Lowieke ‘eens
iets mocht overkomen’.
Natuurlijk wil Lowieke die niet geven. Maar de man weet van
geen wijken. Weet U wat, voegt Lowieke hem toe. Als ik dood mocht gaan dan
komt U maar naar mijn nieuwe adres. Dan kunnen we er daar over praten! Van
louter ergernis trekt hij de stekker uit de muur en zet de radio zachtjes
aan.
Dan pakt hij de krant van tafel en leest met enige moeite nog eens de
grootste koppen.
Oudste man op aarde, ‘Don Emiliano’ overleden. Nu dienstmeisje van
Katharine Hepburn dat met 114 jaar een goede kans maakt op de titel.
Misschien komt U inderdaad te laat, wie zal het
zeggen, denkt Lowieke en valt, met een glimlach op z’n gezicht in slaap.
Uit de radio klinkt het zachtjes: Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak
plaats, maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast…….
Einde.
Krabber.
Nota bene:
Krabber verleent het
recht tot plaatsing op de internetsite van Advidu. Het
eigendomsrecht kan op geen enkele wijze vervreemd worden en blijft bij
Krabber
|